Kalender

 <<  < sep. 2019 >   >>
ZMDWDVZ
1234567
891011121314
15161718192021
22
232425262728
2930

Vandaag jarig

Andrea Bocelli (1958)
Andy Cairns (1965)
Ken Vandermark (1964)
Martin Solveig (1976)
Miss Montreal (1984)
Nick Cave (1957)


Jethro Tull kaarten

Het laatste nieuws over Jethro Tull kaarten

Abonneer u nu op onze informatiedienst en ontvang als eerste per SMS het laatste nieuws!

Aankomend

Er zijn op dit moment geen aankomende concerten en/of evenementen van Jethro Tull beschikbaar.

Bekijk de volledige Jethro Tull historie.

artiest informatie

Jethro Tull

Jethro Tull is een Britse progressieve rockband uit Blackpool, opgericht in 1968. Hun muziek is herkenbaar aan de opmerkelijke zangstijl en het unieke dwarsfluitwerk van voorman Ian Anderson, aan de ongewone en vaak complexe liedconstructies en aan de intelligente teksten. Hun muziek, gestart als blues met een experimentele inslag, heeft onomstotelijk invloeden van klassieke muziek, hardrock en alternatieve rock, alsmede Aziatische en Keltische folkmuziek. Hierdoor is het zeer moeilijk andere muzikanten aan te wijzen die soortgelijke muziek maken. Meer dan andere rockbands staat hun muziek apart van de overige rockmuziek. Anderson schrijft het verschil tussen hun muziek en dat van andere progrock bands onder meer toe aan Jethro Tull's afkeer van drugs.

Terwijl andere bands hen in de beginjaren nog beïnvloedden, ontwikkelden ze snel een unieke, altijd herkenbare sound.

Min of meer bewust kiest Anderson ervoor om in de slipstream van de popwereld te blijven. Een beetje in de luwte maar altijd aanwezig, zou de band volgens hem artistiek op de been houden. Over het algemeen kreeg de band door de jaren heen vaak overweldigend goede kritieken. Ze staan bekend als excentriekelingen, topmuzikanten en mensen met humor. Ian Anderson laat via zijn teksten al weten dat hij een taal-alchemist is en doet daar verbaal tijdens zijn concerten nog een schepje bovenop.

Citaten van Ian Anderson over de identiteit van Jethro Tull:

"We kunnen geen heavy riff band zijn, want Led Zeppelin is de beste ter wereld. We kunnen geen blues-influenced R&B rock 'n' roll band zijn, want The Rolling Stones zijn de beste ter wereld. We kunnen geen slightly sort of airy-fairy mystical sci-fi synthesizing abstract freak-out band zijn, want Pink Floyd is de beste ter wereld. Dus wat is er over? Precies, dat is wat we altijd gedaan hebben: Wij bouwen de bruggen en vullen de gaten." "We zijn door de jaren heen door iedereen al in elk genre ingedeeld. We begonnen als een little old blues band, werden een blues-rock band, en een progressieve rock band; een hardrock band; een heavy metal band waar we zelfs eens een Grammy voor wonnen. Art rock, folkrock; alle soorten fucking rock dichtten ze ons toe, echt waar... Hoe je het ook wilt noemen, het is best leuk om te doen hoor."

Huidige bezetting

Jethro Tull

  • Ian Anderson; o.a. zang, dwarsfluit, akoestische gitaar, mondharmonica, bansuri en mandoline.
  • Martin Barre; elektrische en akoestische gitaar, mandoline, soms dwarsfluit.
  • Andrew Giddings; keyboards, Hammond-orgel en accordeon.
  • Jonathan Noyce; basgitaar.
  • Doane Perry; drums en percussie.

Rubbing Elbow Band

  • John O'Hara; keyboards.
  • James Duncan; drums en percussie.
  • David Goodier; basgitaar en glockenspiel.
  • Florian Opahle; elektrische en akoestische gitaar(alle concerten behalve in de VS).
  • Kit Morgan; elektrische en akoestische gitaar (alleen de concerten in de VS).

Violistes

  • Lucia Micarelli (tot 2006)
  • Ann Marie Calhoun (vanaf 2006)
  • Anna Phoebe (vanaf 2007)

De ruggengraat van Jethro Tull bestaat uit Ian Anderson en Martin Barre. Ian Anderson doet ook solotournees met de Rubbing Elbow Band. Jethro Tull heeft echter een extreem druk tourschema en de bandleden worden ouder; zij kunnen en willen niet meer continu touren en graag meer tijd besteden aan hun sociale- en familieleven of andere muzikale projecten. Daarom worden Ian Anderson en Martin Barre nu ook bijgestaan door leden van de Rubbing Elbow Band wanneer een bandlid niet meegaat. Heel enkel wil zelfs Barre verstek laten gaan en wordt ook hij vervangen; dit wordt echter zoveel mogelijk vermeden. Als het lang tevoren bekend is dat hij niet kan zal het concert aangekondigd worden als Ian Anderson soloconcert.

Beginjaren

Ian Anderson's eerste band, 1963 te Blackpool, heette The Blades. Deze band was rond 1966 veranderd in een zevenkoppige white soul band John Evan Band geheten (later The John Evan Smash), vernoemd naar pianist anex drummer John Evans, die de 's' wegliet om het minder gewoon te laten klinken. Op dit punt was Barriemore Barlow de band's drummer. Zowel Evan als Barlow zouden later terugkeren in Jethro Tull. Hoe dan ook, na de verhuizing van de band naar Londen verlieten de meeste bandleden de band en ze lieten Anderson en bassist Glenn Cornick achter, die de krachten bundelden met bluesgitarist Mick Abrahams en zijn vriend, drummer Clive Bunker, beide van de band McGregor's Engine. In het begin hadden ze problemen om herhaaldelijk geboekt te worden en wisselden daardoor frequent van bandnaam (onder andere Navy Blue, Ian Henderson's Bag 'o Blues, en het suïcidale Candy Coloured Rain waarmee je zelfs in de hippietijd niet serieus genomen werd) om in het clubcircuit van Londen te kunnen blijven spelen. Meestal werden de namen aangedragen door hun boekingsagent. Een van hen, een geschiedenisenthousiasteling, kwam op de proppen met de naam Jethro Tull, wat de naam van een 18e eeuwse landbouwkundige is die de zaaimachine uitgevonden heeft. Deze naam hebben ze uiteindenlijk gehouden om het simpele feit dat tijdens het optreden waar ze deze naam voor het eerst gebruikten, de clubmanager John Gee van The London Marquee Club hun show goed vond en hen uitnodigde terug te komen. Hij heeft, samen met John Peel en Brian Mathews van BBC Radio ervoor gezorgd dat Jethro Tull op grotere podia in Engeland kwam. Door hun toedoen traden ze op in Hyde Park, en het Sunburry Jazz and Blues Festival, waar ze door het grote publiek ontdekt werden.

Toen Anderson gevraagd werd wat hij graag wilde als hij één ding uit het verleden kon veranderen, antwoordde hij:

"De Jethro in Jethro Tull. Norman, Julien, Damon - alles behalve het bloody J-word" "Het is niet grappig als je een band start, en er na een tijdje achter komt dat je het vernoemd hebt naar een dode kerel. Maar het had erger gekund. Als ik per ongeluk Robin Hood of Adolf Hitler gekozen had bijvoorbeeld. Misschien als ik beter had opgelet bij geschiedenislessen, dan was dit niet gebeurd."

Na een onsuccesvolle single (een door Abrahams geschreven popliedje genoemd Sunshine Day, op welke de bandnaam fout gespeld Jethro Toe stond, wat het een collector's item maakt) brachten ze het bluesy album This Was uit in 1968, voorzien van muziek geschreven door zowel Anderson als Abrahams. Het traditionele arrangement Cat's Squirrel, was het hoogtepunt van Abrahams' blues-rock stijl. Het Rahsaan Roland Kirk-gecoverde jazz stuk Serenade To A Cuckoo gaf Anderson een showcase voor zijn groeiende talenten als fluitist.

Na dit album verliet Abrahams de band (om een eigen band Blodwyn Pig te vormen). Er waren meerdere redenen voor zijn afscheid: hij was een bluespurist, terwijl Anderson andere muzikale wegen wilde inslaan; Abrahams en Cornick konden het niet goed samen vinden; en Abrahams wilde geen internationale reizen maken of meer dan drie avonden per week optreden, terwijl de anderen succesvol wilden worden door zoveel mogelijk te spelen en een internationale schare fans op te bouwen. In zijn plaats koos Anderson voor Tony Iommi van Black Sabbath. Iommi voelde zich echter oncomfortabel en besloot al na een korte periode de band te verlaten. Wel bleef hij aan tot het optreden in The Rolling Stones Rock And Roll Circus. (In dat programma, waar de band A Song For Jeffrey speelde, was alleen Andersons zang en fluit live; de andere muziek was van een backing tape.) Iommi werd vervangen door voormalig Motivation, Penny Peeps en Gethsemane lid Martin Barre, die Anderson bovenal imponeerde met zijn volharding, meer dan al het andere: hij was zo nerveus bij zijn eerste auditie dat hij überhaupt amper kon spelen, en toch kwam hij terug voor een tweede auditie, echter zonder een kabel om zijn gitaar te verbinden met de versterker. Ondanks dat zou Barre het tweede langstblijvende bandlid zijn na Anderson; hij is heden ten dage nog steeds in de band.

Progressieve rock

Deze nieuwe line-up bracht Stand Up uit in 1969, de band's enige album dat plaats 1 in de Britse charts bereikte. Compleet door Anderson geschreven, met de uitzondering van het jazzy re-arrangement van Bach's Bourée, ontwikkelde het zich verder van de blues richting het nog niet bestaande up-and-coming genre progressieve rock. Stand Up klinkt, instrumentaal gezien, een beetje als een jazz-bezweemd vroeg Led Zeppelin album, met een heavy en redelijk donker geluid. De Living In The Past single van hetzelfde jaar bereikte nummer 3 in de Britse charts, en hoewel de meeste andere progressieve bands bewust weigerden singles te maken in die tijd, had Jethro Tull ook succes met andere singles, Sweet Dream (1969), The Witches' Promise (1970), en een 5-track EP Life Is A Long Song (1971), welke allen in de top 20 kwamen. Hoewel geïnspireerd door jazz-muzikant Dave Brubeck's Take Five, is Living In The Past veel dichter bij de Amerikaanse rock 'n' roll artiesten dan bij jazz - een trend die blijft aanhouden gedurende de historie van Jethro Tull tot op de dag van vandaag.

In 1970 kwam keyboardist John Evan de line-up versterken (technisch gezien was hij slechts een gastmuzikant op dit moment) en bracht de band het album Benefit uit waarop Anderson zijn kwaliteiten uitbreidde in de studio- en opnametechnieken, alsmede zijn compositionele vaardigheden. Dit was het eerste album van Jethro Tull wat dat de grens van 1 miljoen verkochte platen doorbrak.

In 2004 is een CD van een concert uit 1970 uitgebracht: Nothing Is Easy: Live At The Isle Of Wight 1970, en begin 2005 een DVD met dezelfde titel. Deze bevat een groot gedeelte van het concert, maar is in feite een documentaire.

Bassist Cornick verliet de band na Benefit, en werd vervangen door Jeffrey Hammond-Hammond, een jeugdvriend van Anderson wiens naam al voorkwam in de nummers A Song for Jeffrey, Jeffrey Goes To Leicester Square, en For Michael Collins, Jeffrey, And Me. Jeffrey werd vaak credited op Jethro Tull albums als Jeffrey Hammond-Hammond, maar de extra 'Hammond' was vals.

Deze line-up bracht Jethro Tull's meest bekende werk Aqualung uit in 1971, waar tegenwoordig al 12 miljoen van zijn verkocht. Het album is een combinatie van hardrock muziek, gefocust op themas zoals sociale verstotenen en georganiseerde religie, en wat lichtere akoestische stukken over de wereldse dingen uit het leven van alledag zoals het liefdesliedje Wond'ring Aloud. Aqualung wordt aanbeden en gehaat tegelijk, maar het titelnummer en Locomotive Breath worden nog regelmatig op de radio gedraaid.

De reden waarom het album gehaat wordt zijn Anderson's teksten die een vernietigende opinie op religie en de maatschappij geven. Het karakter Aqualung uit het titelnummer is een alcoholische pedofiele zwerver, en het karakter uit het nummer Cross-Eyed Mary is een onvolwassen prostituee. My God, Hymn 43 en Wind-Up zijn een frontale aanval op religieuze buitensporigheid, zoals bijvoorbeeld:

  • "People - what have you done - locked Him in His golden cage. Made Him bend to your religion - Him resurrected from the grave. He is the God of nothing - if that's all that you can see.";
  • "If Jesus saves - well, He'd better same Himself from the gory glory seekers who use His name in death."

Drummer Clive Bunker werd begin 1971 vervangen door Barriemore Barlow, volgens John Bonham "de grootste rockdrummer die Engeland ooit voortgebracht heeft" en wiens speelstijl als muzikale geometrie wordt omschreven; hij nam eerst samen met de band de EP Life Is A Long Song op, en maakte zijn albumdebuut met Jethro Tull in 1972 op Thick As A Brick. Dit was een conceptalbum gewikkeld in een (zelfgemaakte) krant, bestaande uit slechts 1 zeer lang nummer gesplitst in twee delen over beide zijden van de LP, met een aantal samengesmolten movements en een centraal thema naar een gedicht van het fictieve jongetje Gerald Bostock, bijgenaamd Little Milton. Het eerste movement met zijn onderscheidende akoestische gitaar riff werd redelijk veel gedraaid op de radio en ook nu wordt het soms wel eens gedraaid als zeldzaam muziekstuk. Thick As A Brick was het eerste Jethro Tull album wat plaats 1 in de Amerikaanse Billboard Pop Albums charts bereikte (het jaar erna bereikte A Passion Play diezelfde plaats als enig ander album; opvallend is dat beide albums bestonden uit slechts 1 nummer van ongeveer 45 minuten lang). Dit quintet — Anderson, Barre, Evan, Hammond en Barlow — was een van de meest geliefde Jethro Tull line-ups, en bleef samen tot 1975.

Ook in 1972 was de release van het dubbelalbum Living In The Past; een compilatie van singles, B-sides en outtakes (inclusief de complete Life Is A Long Song EP, welke het album afsluit), met één LP-kant live opgenomen in 1970 in New York's Carnegie Hall. Het album wordt door veel Jethro Tull fans gezien als een van hun beste uitgaves. Het titelnummer (in 5/4 time) is een van hen meest populaire singles, en Anderson schreef het ook met de specifieke intentie om hoog in de popcharts te komen om zo bekendheid te winnen.

In 1973 was het de bedoeling van de band om een dubbelalbum op te nemen in het belastingvrije Château d'Hérouville (iets wat onder andere The Rolling Stones en Elton John ook deden in die periode), maar ze waren niet tevreden over de kwaliteit van de opnamestudio en verlieten het, en doopten het gekscherend Château d'Isaster (een gedeelte van deze opnames werd later uitgebracht op de 20 Years Of Jethro Tull 3CD Box Set. De complete opname werd in 1993 uitgebracht op Nightcap.). In plaats daarvan namen ze snel A Passion Play op en brachten dat uit. Ook dit was een conceptalbum met slechts 1 nummer, net zoals Thick As A Brick, deze keer met erg allegorische lyrics. Na enkele jaren groeiende populariteit verkocht A Passion Play erg goed, maar ontving over het algemeen slechte kritieken met koppen als Play Without Passion en Tull Quit. Tot dit punt had Anderson een vriendelijke relatie met de muziekpers, maar dit album markeerde een keerpunt in deze relatie. Ze hadden de piek in popularteit bij de critici gepasseerd na de drie monsters Aqualung, Thick As A Brick en Living In The Past, zelfs al hield hun populariteit bij het publiek onverminderd aan.

Toen, in 1974 kwam War Child, een album geschreven met de intentie als muziek voor een filmproductie, en bereikte plaats 2 in de Billboard charts en werd met wat meer gejuich ontvangen als het vorogaande album. Het nummer Bungle In The Jungle werd een zomerhit in Amerika. Het nummers Only Solitaire is naar verluidt gericht tot L.A. Times muziekresencent Robert Hilburn, een van Anderson's heftigste commentatoren:

Brain-storming habit-forming battle-warning weary winsome actor spewing spineless chilling lines - the critics falling over to tell themselves he's boring and really not an awful lot of fun. Well who the hell can he be when he's never had V.D., and he doesn't even sit on toilet seats? Court-jesting, never-resting - he must be very cunning to assume an air of dignity and bless us all with his oratory prowess, his lame-brained antics and his jumping in the air. And every night his act's the same and so it must be all a game of chess he's playing - "But you're wrong, Steve: you see, it's only solitaire."

Steve is Steve Peacock, een andere grote afschrijver van Jethro Tull.

In 1975 bracht de band Minstrel In The Gallery uit, een album wat wel lijkt op Aqualung met het contrast dat het wat softer is, veel akoestische guitar-gebaseerde stukken met langere, meer bombastisch solo's van Barre's elektrische gitaar. Dit album kreeg gemixte reviews, maar het werd uiteindelijk bekend als een van Jethro Tull's meest geliefde albums van de fans, en zelfs bij een groep mensen die eigenlijk vooral Aqualung een goed album vinden maar niet erg houden van de meer progressieve andere albums. Na dit album, verliet Hammond-Hammond de band, en werd vervangen door John Glascock.

Deze bezetting bracht een nieuw conceptalbum uit, deze keer over een op leeftijd geraakte rocker: Too Old To Rock 'n' Roll: Too Young To Die!. Anderson, geprikkeld door de kritieken (vooral die van A Passion Play), kwam met een respons: messcherpe teksten. De pers gingen deze tactische zet uit de weg, en vroegen in plaats daarvan of het album autobiografisch was — een aantijging die Anderson vurig ontkende.

In 1976 en 1977 zijn respectievelijk de twee-eenheid compilatiealbums M.U.- The Best Of Jethro Tull en Repeat: The Best Of Jethro Tull - Vol. II uitgebracht.

Tijdens de vroege jaren '70 groeide Jethro Tull van een progressieve blues band naar een van de grootste concertspectakels ter wereld. De concerten van de band waren beroemd om hun theatrale en lange medleys met superieure instrumentale improvisaties. En terwijl de vroege Jethro Tull shows een manische Anderson met wilde bos haar en baard, gekleed in haveloze overjas en versleten kleding bevatten, werden de kostuums professioneler (maar niet minder bijzonder) zodra de band beroemder werd. Dit bereikte zijn toppunt tijdens de War Child tour: Anderson in een oversized codpiece en idioot kleurrijk carnaval-esque kostuum. Andere bandleden bleven niet achter, met Hammond-Hammond in een zwart-wit diagonaal gestreepte outfit én gitaar, Evan in een strak wit pak met stropdas, Barlow in een veel te kleine korte broek en Barre in kamerjas met binocle. Liveshows bevatten interactieve intermezzo's, inclusief on-stage telefoongesprekken, korte films, en toneelstukjes zoals The Story Of The Hare Who Lost His Spectacles.

Zodra de band een wat meer gesettelde stijl ontwikkelden eind jaren '70, veranderden ook de kostuums in een meer sereen geheel en werden de concerten ook wat normaler. Anderson droeg vaak een kostuum zoals de landheren van een dorp in de Schotse historie dat deden. Maar toch bevatten de shows nog steeds bombastische instrumentale stukken die naar een climax toewerken, en ook de beroemde gigantische ballonnen die Anderson op zijn hoofd balanceert en in het publiek gooit.

Folkrock

Jethro Tull sluit het decenium af met een trio folkrock albums, Songs From The Wood, Heavy Horses en Stormwatch. Songs From The Wood was het eerste album van de band wat unaniem positieve reviews kreeg sinds Living In The Past.

De band had en tijd vriendschappelijke banden met folkrockers Steeleye Span. Hoewel Jethro Tull formeel niet tot de folkrock beweging werd gerekend (die zo een 10 jaar eerder begonnen was door Fairport Convention), was er een duidelijke uitwisseling van muzikale ideeën tussen de folkrockers en Jethro Tull. Daarnaast was Anderson verhuisd van Londen naar een boerderij in Schotland, en deze nieuwe landelijke levensstijl is gereflecteerd op deze albums. Bijvoorbeeld is het titelnummer van Heavy Horses een lofzang voor de trekpaarden.

Het tourleven van de band bleef doorgaan, en ze brachten een live dubbelalbum uit in 1978, getiteld Live: Bursting Out, en bevat dynamische livenummers van de line-up die door veel fans wordt gezien als het gouden tijdperk van de band. Ook de vaak schunnige podiumscherts van Anderson met het publiek en bandleden is aanwezig ("David is even weg om te pissen. Ah, hij is terug. Heb je er even een goede slinger aan gegeven?"). Naast de dubbel LP (en nu dubbel CD) is er ook een goedkopere enkele CD in omloop waar de nummers Quatrain, Conundrum en Sweet Dream weggelaten zijn.

In 1978 kreeg Jethro Tull, met Uriah Heep in het voorprogramma, de eer om de eerste trans-atlantische live televisieuitzending te doen. Hun optreden werd vanuit Madison Square Garden, New York, via de satelliet live uitgezonden in Europa en zowel Noord- als Zuid-Amerika, waarmee ze in totaal 400 miljoen mensen bereikten. Tijdens deze tour werd Glascock overigens wegens een hartoperatie tijdelijk vervangen door Tony Williams.

Gedurende deze folkrock periode werd David Palmer een fulltime bandlid als tweede keyboardspeler. Eerder componeerde hij al de muziekstukken voor orkest die op veel voorgaande albums aanwezig waren. Bassist Glascock stierf in 1979 na een hartoperatie en Stormwatch werd zonder hem afgemaakt (Anderson speelde de bass op een paar nummers). Hierna besloot Anderson zijn eerste soloalbum te gaan maken.

Elektronische rock

Tijdens de opnames van Anderson's soloalbum bleek dat het toch meer een groepsproces werd dan en solo-uiting, en daarom is besloten het als een Jethro Tull uit te brengen. Dit was in 1980, en het album heet A. Naast Anderson speelt Barre op elektrische gitaar, David Pegg (die na de dood van Glascock was aangetrokken uit Fairport Convention) op basgitaar, en Mark Craney op de drums. Het album had een erg elektronisch geluid, bijgedragen door keyboardspeler en violist Eddie Jobson (van onder andere UK en Roxy Music). De sound was complete anders dan eerdere Jethro Tull opnames, voornamelijk door het prominente gebruik van synthesizers.

Met dezelfde gemoederen als het album maakte de band een muziekvideo Slipstream, een film van een concert in London's Hammersmith Odeon in September 1980 met deze A line-up. De elektronische stijl was zelfs meer prominent in de liveoptredens en liet ook zijn sporen na in bestaande nummers zoals Locomotive Breath. De meer klassieke Jethro Tull sound was meer geprononceerd in een complete akoestische versie van Skating Away On The Thin Ice Of The New Day met Pegg op mandoline. Slipstream was lange tijd een zeldzaamheid op VHS, maar is sinds 2004 gratis als bonus DVD bij A.

Jobson en Craney scheidden hun wegen na de A tour en Jethro Tull kwam in een periode met wisselende drummers (onder andere Phil Collins en Paul Burges, hoewel voornamelijk Gerry Conway en Doane Perry). Peter-John Vettese verving Jobson op keyboards, en de band keerde terug naar een meer folkrock stijl - hoewel ook met synthesizers - om in 1982 The Broadsword And The Beast uit te brengen. Het album ging over Keltische en Germaanse thema's, en op de cover stond een mythologische vikingachtige figuur. De tour had Spinal Tap-waardige proporties; het podium was getransformeerd tot rondreizend vikingschip, en Anderson liep met een groot monster op zijn schouders rond. Het album werd vooral in Duitsland en Scandinavië een groot succes. 1981 was het eerste jaar dat de band geen album heeft uitgebracht.

Anderson kwam eindelijk met zijn eerste soloalbum in 1983, in de vorm van een hevig elektronisch Walk Into Light. Zoals met latere solouitingen van Anderson en Barre vonden sommige van deze nummers hun weg in de Jethro Tull liveset.

In 1984 bracht Jethro Tull Under Wraps uit, alweer een hevig elektronisch album. Hoewel de band erg trots en tevreden over het album was, werd het niet goed ontvangen, vooral in Noord-America niet. Als een gevolg van de keelproblemen die Anderson ondervond bij het zingen van het Under Wraps materiaal tijdens de tour, nam de band een twee jaar durende pauze (slechts 1 concert in 1985 en maar 6 in 1986). In deze periode maakte Anderson fortuin door zeer actief met zijn zalmkwekerijen aan de slag te gaan.

Een concert van de Under Wraps tour werd uitgezonden door de BBC en is later op CD uitgebracht: Live At Hammersmith '84.

Om een signaal aan de fans af te geven dat de pauze die de band vanaf 1985 inlast wat hen betreft tijdelijk is wordt het compilatiealbum Original Masters uitgebracht in datzelfde jaar.

Hardrock

Jethro Tull kwam in 1987 sterker en machtiger terug dan men kon verwachten met Crest Of A Knave, zonder Vettese (Anderson speelde de keyboards op het album). De band leunde veel sterker op Barre's elektrische gitaar dan ze gedaan hadden sinds begin jaren '70, en het album ontving goede recensies en was een commercieel succes. Meteen wonnen ze een Grammy Award voor Best Hard Rock/Metal Performance, waarmee ze grote favorieten Metallica versloegen. De award was gedeeltelijk controversieel omdat veel mensen Jethro Tull geen hardrock band vinden, en al helemaal niet heavy metal. En natuurlijk waren ze feitelijk in de basis nog altijd een progressieve rockband. Commentaar van Anderson hierop:

"Het is nu eenmaal een feit dat Jethro Tull geen pure heavy metal band is en ook geen pure hardrock band. Maar ik daag iedereen uit om te bewijzen dat er in onze muziek geen hardrock-ínvloeden zitten, zeker als je naar onze liveshows kijkt. Onze live-uitvoeringen bevatten veel hardrock elementen: harde riffs, keiharde drums, gierende gitaarsolo's en gierende vocalen."

En eigenlijk vind Anderson de progrock ook veel boeiender dan hardrock:

"Muziek heeft meer elementen zoals drama, licht en schaduw, teksten, volume en tonen, en die horen er allemaal bij. Metallica is red meat and potatoes vind ik. Ik doe er wat salade bij, pastiches en zeebanket. Muziek maken is net als de liefde bedrijven; je kunt het snel op-en-neer doen zoals Metallica, of er samen wat moois van maken."

De eerste Grammy in deze categorie ooit was in ieder geval een flinke klap in het gezicht van veel heavy metal fans (na deze uitreiking, en wellicht vanwege deze uitreiking, werden twee in volgende jaren twee verschillende Grammys uitgereikt: een voor hardrock en een voor heavy metal). Het advies van Jethro Tull's management was om niet naar de ceremonie te gaan omdat ze toch geen kans om te winnen hadden. Misschien maar goed ook, want toen bekend werd dat ze gewonnen hadden begonnen veel metalfans in het publiek met boe-geroep. Als respons op de kritiek die ze kregen over de award (alsof ze er zelf iets aan konden doen) plaatste de band een advertentie in een Brits muziektijdschrift met de slogan "The flute is a (heavy) metal instrument!".

Het jaar erop won Metallica alsnog een Grammy, en hun dank ging uit naar Jethro Tull: "The first thing we've got to do is obviously - like you guys were expecting - we've got to thank Jethro Tull for not putting out an album this year, right."

De stijl van Crest Of A Knave wordt wel eens vergeleken met die van Dire Straits, gedeeltelijk omdat Anderson na zijn stemproblemen niet langer de vocalrange bleek te hebben als voorheen. Jethro Tull's openhartige behandelmethode van seksualiteit was wél onverminderd. Het album bevat het populaire nummer Budapest wat tegenwoordig veel live gespeeld wordt, en schildert een backstage-scène af met een verlegen meisje dat als hulpje voor hen werkte tijdens een concert in Budapest. De Rock Island tour in 1989 bevatte een schimmenspel van lenige dansers tijdens het nummers Kissing Willie, eindigend in poses die grenzen aan pornografie.

Een ander nummer van Rock Island (een album dat qua stijl voortborduurt op Crest Of A Knave, met gastkeyboardspeler Martin Allcock), Big Riff And Mando vertelt het verhaal van de diefstal van Barre's dure mandoline tijdens een tour door Amerika door een fan, die via een radiouitzending liet weten de mandoline alleen terug te geven in ruil voor een optreden:

"Big Riff, rough boy, wants to be a singer in a band. A little slow in the brain box, but he had a quick right hand." (...) "Ringing on the radio, got a proposition for those English boys. I'll make the sing-song you can make the background noise."

In 1991 kwam dan Catfish Rising. Dit wordt ook wel eens een heavy blues album genoemd, omdat het naast hardrock veel van hun vroege blues elementen bevat. Dat men qua stijl al helemaal de draad kwijt was in welk hokje Jethro Tull geplaatst moest worden, was te merken aan het feit dat Catfish Rising gelijktijdig zowel in de folkrock-charts als de hardrock-charts in de top 10 stond.

Een concert van de Catfish Rising tour werd uitgezonden door de BBC en is later op CD uitgebracht: Jethro Tull In Concert.

In 1992 volgt het een semi-akoestisch livealbum A Little Light Music die goed ontvangen werd bij de fans vanwege de opmerkelijke verandering in compositie van veel nummers, en een bewerking van een traditioneel Engels lied John Barleycorn. De zang komt opmerkelijk goed tot zijn recht in deze setting. De bezetting op dit album is Anderson, Barre en Pegg, nu samen met Dave Mattacks (Fairport Convention) die zowel de drums als het keyboard speelt.

Anniversary's

In 1988 bestond Jethro Tull 20 jaar en gaf ter gelegenheid daarvan een Limited Edition 3CD Box Set 20 Years Of Jethro Tull uit met onder andere livenummers en onuitgebrachte nummers. Daarvan is ook een goedkopere enkele CD versie uitgebracht.

Logisch vervolg is de viering van de 25e verjaardag van Jethro Tull in 1993 met een Limited Edition 4CD 25th Anniversary Box Set, een 2CD uitgave The Best Of Jethro Tull - The Anniversary Collection en een VHS met een documentaire genaamd A New Day Yesterday. Een andere noemenswaardige actie ten behoeve van die verjaardag is het alsnog uitbrengen van de gewraakte Château d'Isaster Tapes op verzoek van de die-hard fans. Hierbij werd een bonus CD gedaan die uitsluitend onuitgebrachte nummers bevatte (voornamelijk uit de periode 1988-1993); deze CD-combinatie werd Nightcap genoemd.

Alternatieve rock

De band tourde in 1994 voor het eerst door Aziatische landen als India en de stad Dubai met Perry vanaf dit punt als de vaste drummer, en Andrew Giddings de vaste keyboardspeler (beide speelden eerder al voor de band, maar dan tijdelijk). Door deze oosterse culturen werd Anderson erg geïnspireerd, en het album Roots To Branches uit 1995 laat duidelijk world-music inlvoeden horen. Anderson hanteerde op het album naast de originele dwarsfluit ook de Indian bamboo flute, or baby bansuri (later zou Jethro Tull weer enkele malen India en het Midden-Oosten bezoeken, en heeft daar samen opgetreden met de 's werelds bekendste bansuri-speler, Hariprasad Chaurasia). Verder heeft het album een hele oosterse sound, en gaan de teksten onder andere over het rampzalige leven van jonge kinderen die als prostituee in steden als Bombay zwerven, de onderdrukking van moslima's en schetst Anderson 3e Wereld-straatbeelden. Maar ook luchtige nummers vinden hun weg naar dit album. De titel van het album deed de Jethro Tull fans huiveren. Was dit het laatste album van de kunstenaars? Ze werden niet teleurgesteld.

Ook in 1995 kwam Anderson's tweede soloalbum, Divinities: Twelve Dances With God. Dit was een klassiek album wat totaal niet vergeleken kan worden met de Jethro Tull muziek. Het is compleet instrumentaal, met een cover met de tekens van vier grote wereldreligies. Het zou in een klassieke muziek collectie tussen Vivaldi en Mozart niet misstaan. Opvallend dat juist dit album op plaats 1 stond in de Billboard charts.

Direct na de opnamen van Roots To Branches verliet Pegg de band om verder te gaan met zijn band Fairport Convention (de laatste jaren combineerde hij het touren met beide bands tegelijk), omdat hij het rustiger aan wilde doen, en deze band lang niet zo'n actief tourleven had. Zijn plaatsvervanger maakte de bezetting zoals hij heden ten dage nog steeds is: Jonathan Noyce werd de nieuwe bassist.

In 1999 kwam het album J-Tull Dot Com. Ook hier weer volop oosterse invloeden te horen, met zelfs een achtergrond zangeres uit India op het titelnummer. Het album gaat over het moderne internet-tijdperk, het ouder worden en Anderson's katten. Naast de oosterse invloeden is dit album ook nogal heavy. Eén recensent schreef zelfs: "This is it! Jethro Tull goes Iron Maiden!"

Nieuw millennium

Vervolgens, in 2000 kwam Anderson's derde soloalbum, The Secret Language Of Birds. Het titelnummers is een ode aan de dawn chorus. Op dit album doet Anderson wat hij ook in Jethro Tull doet, maar dan zonder de overige bandleden. Het is een akoestisch album - Anderson is immers de unplugged guy in een rockband - met nummers die, als ze elektrisch werden herschreven, zo door zouden kunnen gaan voor Jethro Tull nummers qua teksten en complexiteit. Andrew Giddings assisteerde Anderson op dit album, net zoals ze ook samen Divinities: Twelve Dances With God hebben gemaakt.

In 2001 werd een nieuw compilatiealbum uitgebracht, The Very Best Of Jethro Tull, en werden enkele concerten van Jethro Tull gefilmd waar in 2002 een DVD van werd uitgegeven (Living With The Past), alsmede een gelijknamige live CD.

In 2003 kwam Anderson's vierde soloalbum Rupi's Dance vernoemd naar één van zijn katten, en dit album is meer nog dan Walk Into Light en The Secret Language Of Birds een Jethro Tull-achtig album. Deze keer semi-akoestisch, met opvallend veel gastmuzikanten en orkestrale stukken.

The Jethro Tull Christmas Album wordt in dezelfde maand als Rupi's Dance uitgebracht, en bestaat voor 1/3 uit bestaande, en 2/3 nieuwe (kerst)nummers. Het idee kwam van de platenmaatschappij, en het is ook een minder rockend album dan normaal. Het is wel te vergelijken met de albums uit de folkrock periode.

Er kwam in 2005 een live DVD én dubbel CD van Anderson, genaamd Ian Anderson Plays The Orchestral Jethro Tull. Ook werd het album Aqualung Live uitgebracht, in 2004 live opgenomen tijdens een radiouitzending, en werd doorgegaan met wereldwijde tournees.

Op 20 december 2005 gaf Ian Anderson, samen met de Neue Philharmonie Frankfurt onder leiding van John O'Hara, een concert in de Heineken Music Hall te Amsterdam. Dit concert liet veel ruimte voor nieuwelinge Micarelli, die met haar viool een hardrock versie van Led Zeppelin's Kashmir ten gehore bracht. Fans verschillen van mening of de aanwinst van Micarelli een goede is. Dit is pas goed te beoordelen wanneer de samenwerking verder uitgekristaliseerd is.

Verder doen alle bandleden nog veel werk als gastmuzikant bij andere bands. Puur voor het plezier, en om die bands verder te helpen.

Ook doen Martin Barre en Ian Anderson solotours. Martin Barre doet dat met een andere gitarist, Willy Porter. Ian Anderson heeft daarvoor een zelf samengestelde band, met zijn zoon James Duncan achter de drums. Hij doet zowel Rubbing Elbows With Ian Anderson shows, waar hij veel van zijn soloalbums speelt, maar ook semi-akoestische versies van Jethro Tull nummers. Deze opzet bestaat voor 2/3 uit muziek, en 1/3 uit een cabaret-achtige theatervorm. Maar ook doet hij, met dezelfde band Ian Anderson Plays Orchestral Jethro Tull optredens (van de gelijknamige DVD en dubbel CD), waar Jethro Tull nummers en ook zijn solonummers gespeeld worden door Anderson en zijn band, samen met een symphonie orkest.

In 2006 viert de huidige bezetting haar 11-jarig bestaan, en is daarmee de meest stabiele bezetting uit de geschiedenis van Jethro Tull. Eind 2005 is daar Lucia Micarelli aan toegevoegd. Later in 2006 zal Ann Marie Calhoun het stokje van haar overnemen, en in 2007 zal Anna Phoebe dat weer van haar doen.

In de herfst van 2006 doet Jethro Tull een akoestische tour, waarbij ze ook Nederland aandoen. 23 en 24 november staan ze in 013 te Tilburg. De bezetting bestaat uit enkel de bandleden Ian Anderson en Martin Barre, vergezeld door een violiste en de Rubbing Elbow Band. Ook in 2007 zal Jethro Tull uit deze bezetting bestaan.

Vooralsnog zijn in 2007 concerten gepland in Argentinië, België, Brazilië, Canada, Chili, Duitsland, Griekenland, Groot-Britanië, Israël, Italië, Nederland, Oostenrijk, Peru, Spanje, Uruguay, de Verenigde Staten en Zwitserland. In Nederland zullen ze slechts één concert geven: 2 juni in de Waerdse Tempel te Heerhugowaard.

Anderson heeft in de zomer van 2006 een groot gedeelte van zijn nieuwe soloalbum opgenomen. Deze wordt waarschijnlijk in mei 2007 uitgebracht. Ook Martin Barre heeft voor 2007 een nieuw soloalbum in de planning. Daarnaast is platenmaatschappij EMI van plan een akoestische best of van de band uit te brengen. Om voor de fans toch nog iets bijzonders te maken van deze uitgave heeft Anderson besloten om als bonus enkele livenummers aan dit album toe te voegen. Daarnaast zullen in 2007 twee nieuwe DVD's uitgebracht worden. De een zal een compilatie zijn van TV optredens en live materiaal uit het archief van de Duitse zender ZDF. De tweede zal een concertverslag van het concert van Jethro Tull op het Montreux Jazz Festival 2003 zijn.

Martin Barre's soloalbums

Ook Barre heeft vier soloalbums uitgebracht, waarvan de eerste, A Summer Band (1992), een live album is van gelimiteerde oplage. De andere drie zijn in dezelfde stijl (A Trick Of Memory (1994), The Meeting (1996) en Stage Left (2003)): vooral instrumentaal, en zwaar gitaargeoriënteerd. Anders dan de Anderson albums wijken ze meer af van de originele Jethro Tull, alhoewel ze typisch de manier van spelen van Barre tonen. Door het beluisteren van deze albums blijkt dat Barre wellicht tegen verwachting in een dikke vinger in de pap heeft in de sound van Jethro Tull.

Relatie met de pers

Na A Passion Play was de relatie tussen de Britse en Amerikaanse muziekpers en Jethro Tull (met name Anderson) ernstig verstoord. Met enige uitzonderingen zoals de Grammy award wordt de band volkomen genegeerd, maar zo rond het jaar 2000 komt daar langzaamaan verandering in. Echter verbruidt hij het in Amerika snel weer door een aantal uitspraken in een interview. De rel werd zelfs zo groot dat vele radiostations hun muziek weigeren te draaien. Het ging om deze uitspraken, gedaan in de tijd dat er veel ophef over de oorlog in Irak was, van Ian Anderson in een interview:

"I hate to see the American flag hanging out of every bloody station wagon, out of every SUV, every little Midwestern house in some residential area. It's easy to confuse patriotism with nationalism. Flag waving ain't gonna do it!" "Americans are in a dreadful pickle at the moment, being they're the villains of the planet as far as roughly half the population of the world is concerned. Half the world pretty much hates Americans." "We keep the flag-waving out of normal society these days, because we know that it just engenders old animosities - we old Europeans who are a little sadder and wiser as a result of having the shit beaten out of us a number of times, and our cities and national monuments destroyed. We're probably a little more sanguine about this than the very sensitive American psyche, which has not experienced or had to endure these offenses on its home turf."

Aangetekend moet worden dat niet alle media hieraan meedoen. Het zijn vooral de grote gerenomeerde muziektijdschriften; de kleinere tijdschriften en lokale reguliere pers doen dit niet of minder. In veel landen op het Europese continent (met name Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland en Italië), Zuid-Amerika en Azië is dit ook niet het geval. In Duitsland wordt de band zelfs veelvuldig gevraagd voor televisieshows en grote evenementen en beleven ze op dit moment hun tweede hoogtepunt qua populariteit.

In het thuisland Engeland lijkt sinds 2005 ook een ommekeer te wezen. De BBC heeft Anderson voor hun 2006 tour veelvuldig geinterviewd voor zowel de TV als de Radio, en ook de bladen werken mee. Deze tour was dan ook al maanden van tevoren compleet uitverkocht.

Populariteit

Mede door de boycot van de pers sinds halverwege de jaren '70 is Jethro Tull op dit moment minder bekend en geliefd dan voorheen. Bedenk dat ze op hun hoogtepunt op plaats 2 in de populariteitspolls stonden tussen The Beatles en The Rolling Stones. Zo hoog zouden ze nu zeker niet eindigen, hoewel weinig mensen zullen tegenspreken dat ze tot de Grote Zes der progressieve rock behoren - dat zijn Jethro Tull, Pink Floyd, King Crimson, Yes, Genesis en Emerson, Lake and Palmer - waarbij zij in de jaren '70 bovendien meer platina en gouden albums hadden dan ieder ander uit dat genre, en dat zonder het uitbrengen van singles. Er blijft een schare zeer trouwe fans die de band op handen draagt. Er wordt vaak gezegd dat de muziek van Jethro Tull niet erg toegankelijk is, maar ben je eenmaal zover, dan je voor de rest van je leven bent verkocht, en eigenlijk wordt dat ook wel als een eigenschap van veel progressieve rockbands gezien. Hun popularteit blijkt ook als de letterlijk honderden illegaal te verkrijgen bootlegs ziet, en de tientallen fanclubs en coverbands.

De teller van CD verdiensten staat inmiddels op ruim 1 miljard dollar door de jaren heen. Jethro Tull heeft in de loop der jaren ongeveer 3500 concerten gegeven. Ze hebben 5 platina, en 11 gouden albums. Anderson verraste iedereen (wellicht zichzelf) door in de top van grootste belastingbetalers van Groot-Brittannië te staan, en is volgens bronnen de rijkste rockmuzikant ter wereld.

Trivia

  • Aan het eind van elk concert worden grote ballonnen door Anderson in het publiek gegooid nadat hij ze een poosje op zijn hoofd heeft laten balanceren.
  • Tijdens optredens staat Anderson vaak op 1 been te fluiten, een typische en beroemde pose. Vaak wordt hem in interviews gevraagd waar die gewoonte vandaan komt. Steevast is dan zijn antwoord: "In onze beginjaren droeg ik altijd een zeer strakke broek tijdens de optredens. Als ik dan hoge tonen moest fluiten, veroorzaakte dat bepaalde samentrekkingen in het kruis waardoor een van mijn benen omhoog schoot."
  • Alle albums (buiten de compilaties) tot en met Roots To Branches zijn in Digitally Remastered versie uitgegeven. Deze bevatten meestal outtakes, live nummers of videoclips als bonus, alsmede een uitgebreid boekje met een voorwoord van Anderson.
  • Jethro Tull is inmiddels al zoveel jaren actief en succesvol dat ze een zekere cultstatus hebben verworven. Dit zie je bijvoorbeeld terug in de vele films en TV-series waarin naar hen gerefereerd wordt, zoals in Anchorman, Ugly Betty, Friends, Armageddon, Beautiful Girls en Big Daddy.
  • Er is in 2006 een aflevering van The Simpsons gemaakt over Jethro Tull.
  • In de GTA-gameserie zit een karakter genaamd Jethro met uiterlijke kenmerken van Ian Anderson zoals een ringbaard en bandana.

Discografie

Jethro Tull CD's

  • This Was (1968)
  • Stand Up (1969)
  • Benefit (1970)
  • Nothing Is Easy: Live At The Isle Of Wight 1970 (1970) (live)
  • Aqualung (1971)
  • Thick As A Brick (1972)
  • Living In The Past (1972)
  • A Passion Play (1973)
  • War Child (1974)
  • Minstrel In The Gallery (1975)
  • M.U.- The Best Of Jethro Tull (1976)
  • Too Old To Rock 'n' Roll: Too Young To Die! (1976)
  • Songs From The Wood (1977)
  • Repeat: The Best Of Jethro Tull - Vol. II (1977)
  • Heavy Horses (1978)
  • Live: Bursting Out (1978) (2cd) (live)
  • Stormwatch (1979)
  • A (1980)
  • The Broadsword And The Beast (1982)
  • Under Wraps (1984)
  • Live At Hammersmith '84 (1984) (live)
  • A Classic Case (1985)
  • Original Masters (1985)
  • Crest Of A Knave (1987)
  • 20 Years Of Jethro Tull (1988) (3cd)
  • 20 Years Of Jethro Tull (1988)
  • Rock Island (1989)
  • Catfish Rising (1991)
  • Jethro Tull In Concert (1991) (live)
  • A Little Light Music (1992) (live)
  • 25th Anniversary Box Set (1993) (4cd)
  • The Best Of Jethro Tull - The Anniversary Collection (1993) (2cd)
  • Nightcap (1993) (2cd)
  • Roots To Branches (1995)
  • J-Tull Dot Com (1999)
  • The Very Best Of Jethro Tull (2001)
  • Living With The Past (2002) (live)
  • The Essential Jethro Tull (2003)
  • The Jethro Tull Christmas Album (2003)
  • Aqualung Live (2005) (live)
  • The Best Of Acoustic Jethro Tull (2007)

Ian Anderson CD's

  • Walk Into Light (1983)
  • Divinities: Twelve Dances With God (1995)
  • The Secret Language Of Birds (2000)
  • Rupi's Dance (2003)
  • Ian Anderson Plays The Orchestral Jethro Tull (2005) (live) (2cd)
  • New Ian Anderson Studio Album (titel nog niet bekend) (mei 2007)

Martin Barre CD's

  • A Summer Band (1992) (live)
  • A Trick Of Memory (1994)
  • The Meeting (1996)
  • Stage Left (2003)
  • New Martin Barre Studio Album (titel nog niet bekend) (2007)

Jethro Tull DVD's

  • Nothing Is Easy: Live At The Isle Of Wight (1970)
  • Slipstream (1983)
  • A New Day Yesterday (1994)
  • Living With The Past (2002)
  • Jethro Tull live op ZDF (werktitel) (2007)
  • Jethro Tull live in Montreux (werktitel) (2007)

Ian Anderson DVD's

  • Ian Anderson Plays The Orchestral Jethro Tull (2005)